Stamvormen

Ga naar beneden

Stamvormen

Bericht  Sibbevader op ma 01 maa 2010, 22:55

aba: man

adal, adel, athala: adel, edel

aer: bloedbad, slachting (Keltisch)

ag, agi, agin: zwaard, scherp, punt

agil: vreselijk, zie ook angel

agis: angst, vrees

aiva: everzwijn, eeuw

al: geheel, alles

alb: bovenaards wezen, elf

ald: oud, ervaren

alf, alb: elf

alja: ander

amal: arbeid, onvermoeibaar, ijverig, moeder, strijd

and: toorn, ijverig, hevig

angel, angil, agil: speer, scherp, engel, raaf, bovennatuurlijk wezen, vreselijk

ans, ase: god

aq: snijdend zwaard

aran, arn, arnu: arend

as(e): godheid, ziel

ask, asc: essenhout

atha: vader

athal, athil: edel

aud, auda: bezit, rijkdom, erfgoed

austa, austi: zie osta

baido, bad, bau, badu, bavo: strijd

bald, balth, bolt: moedig, koen, dapper

ban, bau: strijd

band: banier

bard: bijl

baro: belangrijk, aanzienlijk, moedig

ber(h)t(o), bertha: schitterend, glans, lastig

ber(o), bern, beran: beer, strijder

berg(a): bescherming, beschermer, berg

bîl, bili: bijl

bitter: boos, bitter

blank: stralend, wit

blic: lichtstraal, flits

blid: blij, vriendelijk

bo: zie bu

bodo, bod, bode: gebieder, dienaar

bol(o): geliefde, vriend

bon: goed, prachtig

bord: rand

boso, buso: boos, trots

boud, bald, baud: bald: dapper

bovo: jongen

brand, brando, branda: vurig zwaard

brecht: zie bert

brigh: kracht

brod, brord: punt van een speer

brun, brûn, bruno: bruin, borstpantser

bu, bo: woning, bewoner

burg(i): burcht, de beschermde, bescherming, hulp, afweer

camp: kamper, vechter

clar: klaar, helder (uit Latijn?)

clide: beroemd

cuni: kundig, dapper, familie

cono, côn, kono, kôni: dapper, koen, bekwaam

cuth: beroemd

dad: daad

dank: zie tane

dag: heerser, dag

diet: volk

degen, dein: (zwaard van) een dappere strijder

dôm, doma: oordeel

drogo, drug: krijgsman, bescherming

ebben, eben, ebel: speer

eigen, eyghene: eigen (allodiaal, niet-leenroerig) goed

ein: alleen

eis: angst

ellen: sterk

eo: wet, gewoonte(recht)

er(e), era, erin: eer

erbo: erfgenaam

erken: zuiver, echt

ermin: groot


erp: donker

ernst: ernstig, vastbesloten

eth: eed, wet

ever, er, eber, ebur: everzwijn

ewa: wet, recht

fagi, fagur: mooi

falc(h)a, falko, falco, falho: vaal, glanzend, valk

far(a): geslacht, familie

faran: reizen, varen

fardi: reis, tocht

fast: standvastig

ferhdh: geest, verstand

flad: prachtig, puur

flor: vloer

folk, folc: zie fulk

fram: vroom, dapper, vooraanstaand

frank: iemand van het Frankenvolk, ook moedig, vrijheidslievend, vrij

fraujôn: meesteres, vrouw

friso: Fries

frith, frid(h), fred, frithu, fride: vrede, mooi

fro: vrolijk

frod, frôth, frôd, ford: wijs, vroed

frum: nut, eerste

fulk(o), folk, fulca: volk

funs: klaar, bereid

gaard, gard: boomgaard, omheind gebied

gail(a): vrolijk

gaiza, gaidu, gairu: speer

galo, walo: waal

gand: wonder, magie

gard: boomgaard, omheind gebied, bescherming, beschermer

gardhan: beschermen

gauja: gouw

gaut(h)a: Goot (uit het volk van ...)

geb: gave, schenker

gel: vrolijk, wulps

geld: waarde, geld, vergelding

gêr, ger: speer

geld, gild: geld

gêls: vrolijk, lustig

gil: vrolijk, dartel, wulps

gîsal, gîsl, gisal, gisel, gisil: gijzelaar

gis(o), gîsil, gisil, gijzel, gysel: (kleine) speer

god(e), goda, go(o)s: goed, goddelijk

gond(a): strijd, oorlog

grim: helm, masker, wreed

grôn, grom: groen

gud, god, gôd, guda: god

gunth, gund: oorlog, strijd

hade: oorlog, strijd

hag, haggo, hacco, haga, hagan, harja: omheining, leger

haid(a): verschijning, gestalte, held

hail: geheel, gezond

haim(a): woonplaats, woning

halahdrja: jeneverbessenstruik

han: haan

hard, hardu, hart: sterk, dapper, hard

har, hari, her(i), harja: leger, strijder

harja, hagin: omheining, haag

harsta: vlechtwerk

haso: grijs, bleek.

hathu, hadu: strijd

heid, heit, heido: van het geslacht ..., soort, afkomst

heil: geluk, heil

heila: geheel, ongedeerd

heim(a), ghem: woning, erf, thuis

helm(a): helm, beschermer, koning

hen: haan

her, heri: leger, heir, strijder, heerser

hild, hilt(i), hildi: strijd, strijder, held

hloda: beroemd

hlôth:buit

hluod, hloda, hluth, hlué: beroemd, besproken

horsa: paard

horst: hoge grond, met kreupelhout begroeide hoogte


hrab, hrabn, hrabran, raban: raaf

hrisa: rijshout

hr(u)od, hrôth: roem, eer, beroemd, bekend

hrok: rust

hrôk: roek

hrôm: roem

hug(i), hugu: verstand, geest, geweldig, trots

huld: trouw

hûn, hun, huno: bruin, donker, jonge beer

huni: reus, groot

huso, husi: huis

hvelp: welp

id, idi, ida: werk, werkzaam, scheppend, maagd

im(me): de werkzame, de bij

-ing, -inga, inge(n): behorende tot (het volk van ...), ook God van de Ingweonen,

ingela: hoek

irmin: groot, geweldig

îs, îsan, isan: ijzer, ijs, stevig

iv: bogg van taxushout, taxusboom

karel, karl: kerel, vrij man

kin: kind, afstammeling

knut: knoet (Noors)

kono, kôni: zie cono

kuni: koen, dapper, geslacht

kuri: keuze

laic: springen, dansen

laitho, laitha: vijandig, leiden

land, landa: land

lang: lang

leidi, leud(i): lieden

leof, lieb, liaf, liud: lieve, nakomeling

leub: lief

leudi: zie liud

lewa, liwi: genadig

liede, liud: vol

lin: knuffelvorm in mannennamen

lind, liub: schild, linde, slang, zacht, lief, teder, lenig

liud, leud, leudi, luit: volk, lieden

lo: knuffelvorm in mannennamen

loch: bed

loga: vlam

lud: beroemd

magin, mag(an), mach: machtig

maht: macht

man(a): man, mens

mang: menigte, veel

mar: zie mêr

marc: grensgebied, woud

math, mathal, mathi, madal, mal: (rechts)vergadering, verzamelplaats, ook recht, rechtvaardigheid, rede

maur: moor, arabier, donkerhuidige

med: eer(bied)

mêr, mar, mare, mêrja, mâr: roem, beroemd, paard

mikil: groot

mil(d)(i): zacht, lieflijk, vrijgevig

môd, mud: (ge)moed, moedig, toorn

mund, mond: beschermer, voogd, mondig, hand, maan, maand

nanth, nand: moed(ig), dapper(heid), durf

nar, ner: voedsel

nath: genade, gunst

naud(i): nood, gevaar

nid: nijd, toorn, vechtlust, moed

nivja: nieuw, jong

nout, noud, nood, nodi, naud: dapper, nood, gevaar, strijder, heerser

nord, north: noorden

od, ôd, oda, odâl, odo, odela, otto, ôthal: vaderlijk erfgoed, bezit, rijkdom, bewaarder

olf: zie wulf

olt, olt: zie wald

one, ono, onno: vrijgevig

oord: langgestrekt eiland in de rivier, weerd, waard

ort: uiteinde, spits, punt, zwaard, wapen

osta, austa: uit het oosten

ot: rijkdom, erfdeel, zie od,


purnu: (stekelig) struikgewas

raban: raaf

rad, râd, rêd: raadgever, raad

ragin, regin, rem: raadgever, overleg, besluit

rand: schildrand

rêd: zie rad

ric, rîk, rik, rïkja: machtig, rijk, koning

ricja: zie ric

rîd(an): rijden

ripja: rijp

rud: overwinning, roem, staf, rood

sal: zaal

salva: wapenrusting, maliënkolder

sand: waar

sarva, sarwa: malien, wapenrusting

sax: (kort) zwaard

scaft: schacht (van een speer)

scalc: dienaar, soldaat, knecht

sibja: verwantschap, sibbe, geslacht, huis

sîg, sig, sigi: zege

sind: weg, tocht

smithu: smid

snel: rap, stoer

sôna: zoen, oordeel

sone: zoon

spoerl: tak

staer: donker, troebel, strak

stahal: staal, ijzer, sterk, hard

stalta, stalto: bezitter

stên, sten, steen, stain: steen, burcht, boerderij

stil: rustig, betrouwbaar

strîth: strijd

sturmi, storm: wellicht storm

sunna: zon

swan: slim, zwaan

swinth, swind, svintha: sterk, snel, gezond, heftig, gezwind

swôt: zoet

tane, tanne, thank: geest, gedachte

tet: knuffelvorm in verkorte namen

têt: vrolijk, vreugdevol

thiad, theud(o), theot, dode: behorend tot het eigen volk

thing: vergadering

thunra: donder

tolinc: dijk, polder, moer

tras: strijdlustig, moedig

trûd, trud, thruth: macht, kracht, sterkte, vertrouwd, geliefde

uiu: waardig (Keltisch)

un: geven, toestaan

vac(ar), vag: wakker

varin: waarborgen, verweren

vica: vestiging

vintar: winter

vol(a): wel, goed

wacchar: waakzaam, flink

wal, walh: slagveld, buitenlands, keuze

walh(a), valh: buitenlander, Waal, Romaan, vreemdeling

wald, walda(n): heerser, macht, woud

ward, wardan: behoeder, vrede

waro, warin: hoede, hoeder, beschermen

was(o): sterk, vast, scherp, woest

wendil, wendel, wenden: Vandaal

wer: hoeder, herder

weren: beschermen, waarschuwen

wette: waden

wica: zie vica

wic, wîg, wig: strijd

wich, wîg: strijd, heilig

wid, widu, wîdu, wido, wito: woud, hout, boom, blond, wit

wîh: heilig

wijn, win, wini: vriend, goed

wil, wilja: wil, streven

win(i), vin(i): vriend

win(i)d: volksnaam van de Wenden

wind: draaien, opwinden

wîp, wive: wijf, vrouw

wîs, wis: wijs

wive: vrouw

wulf, wolf, volf, olf: wolf

wun: blij, geluk, minnen

za, zo: knuffelvorm in verkorte (vrouw-man) namen

Bron

_________________
Als wachter over recht en wet stelt men de boom aan de grens van de gemeente; hij moet als een vertegenwoordiger van de hoogste rechter, het veld behoeden en de boosdoeners tegenhouden. Daarom bestraft men de boomschender als een rover of moordenaar: wie de kruin van een groene boom afslaat, zal op zijn stam het hoofd afgeslagen worden, en wie zijn wortels schendt, zal het zijn eigen voeten ervoor boeten.

¨
avatar
Sibbevader
Erfwacht

Man Aantal berichten : 3028
Woonplaats : Midgaard
Registration date : 31-01-09

Profiel bekijken http://hagal.be

Terug naar boven Ga naar beneden

Terug naar boven


 
Permissies van dit forum:
Je mag geen reacties plaatsen in dit subforum